Historisch Overzicht Examen

'

Historisch Overzicht vanaf 1900

            Examen

 

Historisch Overzicht vanaf 1900 (extra informatie VM4)

 

De tijd vanaf 1900 wordt ingedeeld in 6 perioden nl:

-          1. Nederland (1900 - 1914)

-          2. De eerste Wereldoorlog (1914 – 1918)

-          3. Het interbellum / herstel en crisis (1918 – 1939)

-          4. De Tweede Wereldoorlog (1939 – 1945)

-          5. Europa en de wereld (1945 – 1989)

-          6. Een nieuwe wereldorde (vanaf 1990)

 

Kandidaten moeten staatkundige kaarten uit deze perioden kunnen herkennen en daarvoor een verklaring geven.

 

Ontwikkelingen rond 1900:

-          sterke industrialisatie in veel Europese landen

-          in veel landen speelt het modern imperialisme een grote rol. (imperialisme is het streven naar een groot rijk, veel Europese staten streefden naar een vergroten van hun rijk om grondstoffen uit kolonies te kunnen halen. Ook werden kolonies vaak gezien als een afzetgebied voor producten uit de industrie.)

-          verschillende groepen uit de samenleving gaan zich organiseren. We zien verschillende politieke stromingen die partijen gaan organiseren. (denk aan liberalen en socialisten) De socialisten komen op voor de arbeiders, zij werden tot dan toe achtergesteld vond men.

 

 

I          Nederland 1900 – 1914

 

-          Verzuiling: Nederland was verdeeld in 4 stromingen ( rooms-katholieken, protestanten, socialisten en liberalen)

-          Rooms katholieken en protestanten waren beide christelijk, ze worden samen ook wel de confessionelen (confessie = geloof) genoemd.

-          De socialisten willen een sociaal democratische staat (de meesten gaan hier niet zo ver dat ze een revolutie in Nederland willen)

-          Emancipatie: dit is het streven naar gelijke rechten voor bepaalde groepen die achtergesteld zijn.

-          Emancipatie van de arbeiders: arbeiders moeten ook voor hun rechten op kunnen komen b.v. door vakbonden toe te staan.

-          Emancipatie van de vrouw: de eerste Feministische Golf, vrouwen streven naar gelijke rechten voor vrouwen, zij waren in veel zaken ondergeschikt aan de man en mochten veel dingen niet zelf regelen.

-          Pacificatie: Politieke “vredesluiting” in 1917. Dit was een “deal”tussen de socialisten en de confessionele groepen. De confessionele partijen wilden graag geld van de overheid voor hun scholen (de schoolstrijd). De socialisten wilden graag algemeen mannenkiesrecht. De confessionelen stemden voor algemeen kiesrecht in ruil voor geld voor het christelijk onderwijs.

-          Schoolstrijd: De overheid geeft geld aan openbaren scholen om onderwijs te verzorgen, veel christelijke mensen willen eigen scholen oprichten, maar ze moeten alles zelf betalen. Tijdens de schoolstrijd gaat het er om of christelijke scholen ook geld krijgen van de overheid voor het onderwijs.

-          De confessionele groepen richten in die tijd partijen op om sterker te staan zo ontstaan de ARP (protestants christelijk) en de RKSP ( rooms katholiek)

-          Algemeen kiesrecht: In het begin van de 20e eeuw was er nog censuskiesrecht (Je moest een bepaalde hoeveelheid belasting betalen om te mogen stemmen, dat betekende dat arme mensen niet kunnen stemmen) De socialisten streven naar algemeen kiesrecht (alle mannen boven een bepaalde leeftijd mogen dan stemmen)

-          Het gaat hier om zowel actie als passief kiesrecht (zelf kiezen of gekozen worden)

-          Belangrijke personen

-          Aletta Jacobs: Eerste vrouwelijke student aan de universiteit en later de eerste vrouwelijke arts. Zij streefde ook naar emancipatie van de vrouw en naar vrouwenkiesrecht.

-          P.J. Troelstra: Oprichter van de Sociaal Democratische Arbeiderspartij (SDAP). Dit is de voorganger van de huidige PvdA. Zij streven naar algemeen mannenkiesrecht en een 8 urige werkdag

-          A. Kuyper: Leider van de Anti Revolutionaire Partij (ARP). Dit is een protestants christelijke partij. Hij was een invloedrijk politicus die vooral veel van zich liet horen in de schoolstrijd.

 

II         De eerste Wereldoorlog 1914 – 1918

-          Oorzaken:

-          Nationalisme: Mensen vinden hun eigen land en hun eigen volk het allerbeste. Mensen streven daarom ook vaak naar een eigen staat voor een eigen volk.

-          Militarisme: Mensen vinden hun eigen leger het allerbeste en gaan er van uit dat alle andere legers slechter zijn. Dit heeft ook te maken met nationalisme en met het feit dat er door de industriële revolutie ook erg veel nieuwe en “betere” wapens beschikbaar zijn.

-          Bondgenootschappen: Landen gaan samenwerken en beloven elkaar te steunen bij een eventuele aanval. (zie verder in dit stencil)

-          Nu een aantal oorzaken dit volgens mij van wat minder groot belang zijn:

-          Kolonialisme: Elke staat die mee wil tellen wil zo veel mogelijk koloniën hebben (ook erg handig voor grondstoffen uit de tropen en als afzetmarkt voor producten uit de eigen industrie)

-          Industrialisatie: Door opkomen van de industrie heeft men het idee dat alles binnenkort veel makkelijker, sneller en goedkoper kan. Er verandert erg veel in het leven van mensen.

-          Moderne (wapen) technieken zorgen voor nieuwe wapens waarmee sneller meer mensen gedood kunnen worden. Ook hier werkt de industrie hard aan en maakt zij grote vooruitgang.

-          Vijandbeelden: Volken zagen door het nationalisme en het militarisme de vijanden als minderwaardig en zwak.

 

-          Aanleiding:

De moord op de kroonprins van Oostenrijk Hongarije, Frans Ferdinand, en zijn vrouw in Sarajevo.

Na de moord op de kroonprins duurt het ongeveer 6 weken voordat de oorlog uitbreekt, maar in die weken vinden wel veel diplomatieke activiteiten plaats. Zo krijgt Servië een ultimatum nadat Oostenrijk Hongarije de Servische regering beschuldigd had van steun aan de moordenaar.

Oostenrijk Hongarije heeft ondertussen contact met Duitsland om er zeker van te zijn dat zij kunnen rekenen op Duitse steun als de oorlog uitbreekt. De Russen op hun beurt geven duidelijk aan dat zij in geval van een oorlog de Serven zullen steunen.

 

-          Verloop

-          In het begin gaan alle soldaten vol goede moed naar het front, want men gaat uit van een snelle korte oorlog waarbij men met Kerst weer thuis is na een overwinning.

-          Veel vrijwilligers melden zich aan (vooral in Engeland, want daar was nog geen dienstplichtleger), zij willen zo snel mogelijk naar het front om deze overwinning voor hun land niet te missen.

-          Duitsland voert als eerste een aanval uit naar het westen. Dit heeft te maken met het Duitse aanvalsplan van generaal von Schlieffen. Hij ging er van uit dat eerst de vijand in het westen verslagen moest worden in een snelle verrassingsoorlog (vandaar een aanval door België) en daarna konden de Russen in het oosten verslagen worden, want die waren minder snel als de moderne legers in het westen. Dit plan liep helemaal verkeerd af (zie ook Historisch overzicht van het boek)

-          In het westen liggen de legers ruim 4 jaar tegenover elkaar in een loopgravenoorlog.

-          In het oosten is er iets meer beweging, maar hier is Rusland niet te verslaan las groot land met veel mensen en strenge winters.

-           

-          Kenmerken van WO I

-          Moderne “wapens” zoals mitrailleur, grote kanonnen, prikkeldraad, gifgas, gasmaskers, camouflagepakken, tanks, vliegtuigen.

-          Nieuw soort oorlogvoering: niet meer legers opstellen op een groot veld en dan vechten, maar loopgraven, enz.

-          De hele bevolking is betrokken bij de oorlog (b.v. thuis nemen vrouwen de taken over van mannen in industrie, enz) We noemen dit ook wel een totale oorlog. Het hele leven van mensen in de oorlogvoerende landen staat in het teken van de oorlog, iedereen voelt ook echt de gevolgen in het dagelijks leven.

-          Heel veel slachtoffers.

-          Media gaan een rol spelen in de oorlog. Daardoor zie je ook meer propaganda (reclame maken voor jezelf) en censuur (vooraf controleren wat gepubliceerd wordt)

 

-          Afloop:

In 1917 breekt in Rusland een revolutie uit. Na een tweede revolutie komt Lenin hier aan de macht. Hij sluit eenzijdig vrede met Duitsland. Hij heeft dit beloofd en hij wil eerst orde op zaken stellen in zijn eigen land.

-          In 1917 gaan de V.S. zich met de oorlog bemoeien. Zij sturen troepen naar Europa.

-          In 1918 sluit men aan het westfront een wapenstilstand. Bij de daaropvolgende vredesonderhandelingen krijgt Duitsland de schuld van het uitbreken van de oorlog. Duitsland wordt bij de Vrede van Versailles zwaar gestraft.

 

-          Bondgenootschappen:

Centralen:                                                      Geallieerden

-          Duitsland                                                       Frankrijk

-          Oostenrijk Hongarije                                     Groot Brittannië

-          Italië (tot 1914)                                             Rusland (tot 1917)

           Verenigde Staten (na 1917)

           Italië (na 1914)

 

-          Nederland tijdens WO I

-          Nederland is tijdens WO I neutraal gebleven, wel is het leger gemobiliseerd. Tijdens de hele oorlog zijn soldaten gelegerd aan onze grenzen.

-          Nederland had wel last van de oorlog, zo was handel over zee vaak erg gevaarlijk door mijnen en duikboten, handel met Europese landen was door de oorlog ook moeilijk. Zo ontstond ook in Nederland een gebrek aan verschillende goederen. Voor eerste levensbehoeften werd een distributiesysteem opgezet. Goederen konden alleen gekocht worden als men een bon van een bepaalde kaart kon overleggen. Zo werden de goederen zo eerlijk mogelijk over de bevolking verdeeld.

-          In Nederland hebben ook vier jaar lang veel Belgische vluchtelingen in kampen gewoond, vooral in het zuiden van ons land.

 

 

III       Het interbellum / herstel en crisis (1918 – 1939).

 

            Vrede van Versailles

-          In 1918 werd de wapenstilstand aan het eind van WO I getekend in een spoorwegwagon. Duitsland moet zijn nederlaag erkennen.

-          Vervolgens starten vredesbesprekingen in de voorsteden van Parijs. Met elk verliezend land wordt apart een vrede getekend. De belangrijkste onderhandelingen zijn in Versailles waar de vrede tussen de geallieerden en Duitsland wordt getekend. Duitsland zelf mag niet bij de onderhandelingen aanwezig zijn (Hitler noemt het later het dictaat van Versailles).

-          Duitsland krijgt de schuld van het uitbreken van WO I en krijgt zware strafbepalingen opgelegd, zoals: de verplichting tot het betalen van herstelbetalingen, het afstaan van bepaalde gebieden en het beperken van de macht en het aantal soldaten van het Duitse leger.

-          Op aandringen van de V.S. (president Wilson) komt er een Volkenbond. (landen moeten meer overleg hebben, zodat een nieuwe oorlog wordt voorkomen) Wilson was ook een voorstander van zelfbeschikkingsrecht voor de verschillende volken.

-          Tijdens de onderhandelingen zijn de geallieerden het niet echt eens over de manier waarop Duitsland aangepakt moet worden.

 

Duitsland

-          In Duitsland is het erg onrustig aan het eind van WO I. Men geeft de keizer de schuld van het verlies van de oorlog. De keizer moet aftreden en vluchten. Hij vraagt politiek asiel in Nederland.

-          In Duitsland komt een nieuwe grondwet met daarin de bepalingen voor een parlementaire democratie. De nieuwe republiek krijgt de naam Republiek van Weimar, omdat de grondwet opgesteld en aangenomen is in de plaats Weimar, men durfde in die tijd door de onrust niet te vergaderen in de hoofdstad Berlijn.

 

Wereldcrisis

-          In Amerika bloeit de economie na WO I. Amerika kan veel verdienen aan het kapotte Europa en in de industrie worden steeds nieuwe uitvindingen in productie genomen.

-          Ook de handel in aandelen neemt een grote vlucht, veel mensen gaan in aandelen handelen.

-          1929 Beurskrach op Wallstreet. De aandelenhandel in de V.S. stort binnen heel korte tijd in elkaar, veel mensen en bedrijven komen in grote financiële problemen.

-          De handel komt vrijwel stil te liggen, veel bedrijven moeten sluiten, veel mensen worden werkloos. Ook in Europa zijn de effecten van het instorten van de economie in de V.S. goed te merken. Ook hier komen veel mensen zonder werk te zitten.

-          De Beurskrach is het begin van een grote wereldwijde economische crisis.

-          Duitsland wordt extra zwaar getroffen, zij hadden na WO I van de V.S. een lening gekregen om de economie weer op te bouwen. Net in de tijd dat de wereldcrisis begon moeten zij ook die lening terug gaan betalen.

 

Fascisme en Nationaal socialisme.

                        Fascisme                                                        Nationaal socialisme

                        Italië                                                              Duitsland

                        Mussolini                                                       Hitler

                        Nationalistisch                                               nationalistisch

                        Sterke leider                                                  sterke leider

                        Anti democratisch                                         anti democratisch

                        Totalitair                                                        totalitair

                                                                                              Rassenleer

                                                                                              Streven naar een autarkische staat

                                                                                              Lebensraum

                                                                                              Heim ins Reich

 

-          Hitler is leider van de NSDAP (nationaal socialistische duitse arbeiderspartij).

-          Zowel in Italië als in Duitsland ontstaat in de jaren dertig een dictatuur. Indoctrinatie, propaganda en censuur spelen hierbij een grote rol.

-          Hitler probeert in 1923 aan de macht te komen door een revolutie, maar dat mislukt. In 1933 word de NSDAP de grootste partij bij de verkiezingen. Hitler wordt daardoor Rijkskanselier (minister president). Vanaf dat moment is Hitler bezig met het afschaffen van de parlementaire democratie.

-          Terreur (angst aanjagen) gaat een grote rol spelen, de terreur is vooral gericht tegen joden en andere vermeende tegenstanders.

-          Hitler voert ook de gelijkschakeling door, dwz. De hele maatschappij moet nationaal socialistisch worden (dus zowel politiek als b.v. op het werk, in scholen ,enz.)

-          Hitler wil een groot en machtig rijk opbouwen voor de Arische bevolking, daarvoor is Lebensraum nodig (hij zoekt dat vooral naar het oosten). Hij gaat daarbij ook in tegen de bepalingen in de vrede van Versailles, b.v. weer herbewapenen en een leger opbouwen.

-          Alle niet-arische bevolkingsgroepen en politieke tegenstanders krijgen te maken met vervolging, al snel spelen concentratiekampen een grote rol in dit systeem. Om deze politiek te rechtvaardigen gaat Hitler uit van de rassenleer, waarin rassen beoordeeld worden als Übermenschen of Untermenschen. Binnen de wetgeving komen allerlei wetten die de omgang tussen de rassen regelen (rassenwetten), dit houdt in dat er voor de minderwaardige rassen veel discriminerende maatregelen volgen.

-          Hitler neemt na de door van president Hinderburg ook die taak binnen de regering op zich. Vanaf dat moment noemt hij zichzelf Führer en is hij in wezen dictator.

 

Nederland tijdens het interbellum.

-          Ook Nederland krijgt te maken met grote werkloosheid tijdens de wereldcrisis. Nederland verdient traditioneel veel met handel en vervoer en vooral die sectoren worden getroffen tijdens de crisis.

-          De NSB (Nationaal Socialistische Beweging) komt in Nederland op. Zij hebben in eerste instantie vooral fascistische ideeën, maar later steunen zij Hitler ook in zijn rassenleer. Deze partij krijgt in Nederland niet zo heel veel aanhang.

-          Werklozen kregen van de staat een kleine uitkering, maar om te voorkomen dat zij naast hun uitkering zwart gingen werken moesten zij stempels halen bij het arbeidsbureau, wie zijn stempelkaart niet vol had kreeg geen uitkering.

-          Ook binnen Nederland ontstond zo de roep om een sterke regering, in dit klimaat kon b.v. de NSB ontstaan.

-          In deze tijd had de regering nog lang (net als veel andere landen) het standpunt dat het huishoudboekje van de staat moest kloppen. Bij minder inkomsten gingen salarissen en uitkeringen omlaag (aanpassingspolitiek).

-          Wel kwamen er op den duur werkverschaffingsprojecten voor werklozen. Zij voerden dan werk uit voor de overheid in ruil voor een uitkering (b.v. het graven van kanalen en het ontginnen van woeste gronden).

-          Nederland probeerde ook in deze tijd neutraal te blijven, net als voor WO I sloot Nederland zich niet aan bij een van de bondgenootschappen.

-          De ministerpresident die in deze periode een grote rol speelde was dhr. Colijn. Hij probeerde de Nederlanders vooral gerust te stellen in deze onzekere tijden.

 

 

IV       De tweede wereldoorlog 1939 – 1945

 

            Oorzaken:

-          In Duitsland heerst grote armoede en werkloosheid door de wereldcrisis en de bepalingen uit de Vrede van Versailles.

-          Binnen de bevolking van Duitsland komt een steeds sterkere stroming die streeft naar revanche voor het verlies van WO I. Men wil bepaalde gebieden terug en men wil weer een eigen leger (herbewapening) om Duitsland weer tot een sterke staat te maken.

-          Verder spelen nationalistische gevoelens in heel Europa een grote rol, dus ook in Duitsland.

-          Hitler weet handig gebruik te maken van al deze onvrede en komt via verkiezingen aan de macht (1933).

 

Begin

-          In 1938 valt Duitsland Oostenrijk binnen. Hier wordt vrijwel niet gevochten (Anschluss)

-          Vervolgens valt Duitsland het grensgebied van Tsjecho Slowakije binnen nadat er eerst overleg is geweest tijdens de Conferentie van München.

-          Als Duitsland dan vervolgens heel Tsjechië bezet is de maat vol. De Geallieerden geven aan dat zij de oorlog zullen verklaren bij de volgende aanval.

-          In september wordt Polen aangevallen door Duitsland. Engeland en Frankrijk verklaren vervolgens de oorlog aan Duitsland.

-          Hitler had wel voor de aanval op Polen een niet-aanvalsverdrag gesloten met Rusland (Stalin), waarbij in een geheim verdrag Polen werd verdeeld tussen de Russen en de Duitsers.

 

 

 

 

Verloop

-          Hitler start een zgn. Blitzkrieg, waarbij luchtmacht, landmacht en zo nodig marine samenwerken in de aanval op een land. Hij gaat daarbij uit van een verrassingseffect en daardoor een snelle overgave.

-          Hitler probeert ook Groot-Brittannië te veroveren, maar dat lukt niet.

-          In 1941 valt Hitler toch de Sovjet Unie aan (operatie Barbarossa) ondanks het niet-aanvalsverdrag.

-          Ook in 1941 (december) start de oorlog in Azië met de aanval op Pearl Harbor (de Amerikaanse marinebasis op Hawaï.

-          !942 laat ook een ommekeer zien in de oorlog. Tot die tijd had Hitler alleen maar gewonnen, nu moet hij de eerste verliezen accepteren, eerst bij Stalingrad in de Sovjet Unie. Later komen er ook aanvallen vanuit het zuiden (Noord Afrika) en vanuit het westen (D-day, de grote aanval op Normandië)

-          Duitsland moet op het laatst zowel in het oosten als in het westen zijn positie verdedigen, ze krijgen dan te maken met een tweefrontenoorlog.

 

Kenmerken van WO II

-          Tijdens deze oorlog worden weer veel nieuwe wapens gebruikt en uitgevonden. (Dit was al begonnen in WO I)

-          Vooral door de nieuwe wapens komt er ook een ander soort oorlogvoering, waarbij de hele bevolking betrokken is (totale oorlog)

-          Er zijn erg veel slachtoffers en in deze oorlog zijn er voor het eerst ook grote aantallen burgerslachtoffers o.a. als gevolg van de bombardementen op steden.

-          Propaganda en censuur gaan een grote rol spelen, dit komt o.a. doordat de moderne media een steeds grotere rol gaan spelen. Regeringen proberen via de media de stemming onder de bevolking te beïnvloeden.

 

Afloop

-          In mei 1945 wordt Duitsland gedwongen tot overgave. De Russen en Amerikanen ontmoeten elkaar in Duitsland. Hitler heeft in de laatste dagen in Berlijn zelfmoord gepleegd.

-          Japan vecht dan nog door, zij worden in augustus 1945 tot overgave gedwongen na de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki.

-          Dit laatste betekent een eind aan WO II.

-          Tijdens de oorlog waren er wel geruchten over vernietigingskampen en massamoorden, maar pas na de oorlog wordt duidelijk wat er gebeurd is. (Vanaf 1942 heeft Hitler opdracht gegeven voor de Endlösung, het vernietigen van o.a. de joden).

-          De vernietiging van de joden noemt men ook wel de Holocaust

 

Belangrijke personen:

-          Churchill: premier van Groot-Brittannië tijdens WO II.

-          Roosevelt: president van de V.S. tijdens WO II. Hij sterft vlak voor het eind van de oorlog en wordt opgevolgd door zijn vice president Truman. Deze laatste neemt het besluit om de kernbommen op Japan te gooien.

-          Stalin: nog steeds de machtigste man in de Sovjet Unie tijdens WO II.

 

Bondgenootschappen

-          Voor het uitbreken van WO II kennen we de As-mogendheden (Duitsland, Italië en Japan) die samen een bondgenootschap vormen.

-          Frankrijk en Groot-Brittannië vormen in het begin samen het Geallieerde bondgenootschap. Door de aanvallen van Hitler komen hier nogal wat landen bij.

-          Na de aanval van Japan op de V.S. en de aanval van Hitler op de Sovjet Unie in1941 zij er vier grote landen betrokken bij dit bondgenootschap:

1. Groot Brittannië

2. Frankrijk (voor een groot deel bezet en voor een deel pro Duits (Vichy)).

3. Sovjet Unie (na de aanval van Hitler)

4. V.S. (na de aanval van Japan)

 

            Nederland tijdens WO II.

-          Het Nederlandse leger werd opgeroepen voor mobilisatie toen Hitler steeds meer landen ging aanvallen.

-          Op 10 mei 1940 begon de Duitse aanval op Nederland (na een aantal keren uitstel vanwege het slechte weer)

-          Op 14 mei werd otterdam gebombardeerd, daarna volgde de capitulatie en de bezetting van Nederland tot 5 mei 1945.

-          Een deel van de Nederlandse regering en Koningin Wilhelmina, prinses Juliana en de twee oudste dochters wisten te ontkomen. Vanuit Londen werd de regering voortgezet (ook over de koloniën die nog niet bezet waren)

-          Ook in Nederland proberen de Duitsers zo veel mogelijk de gelijkschakeling door te voeren.

-          De NSB (Nationaal Socialistische Beweging) werd de belangrijkste partij, zij steunden de Duitsers.

-          Ook in Nederland werd de jodenvervolging ingevoerd, joden moesten o.a. een davidsster op hun kleding dragen. Ook vanuit Nederland zijn veel joden gedeporteerd naar Duitse kampen. Veel Joden kwamen eerst in het doorgangskamp Westerbork in Drente om vervolgens met de trein o.a. naar Auschwitz te worden gedeporteerd. Heel veel joden zijn hierdoor omgekomen.

-          In februari 1941 vond in Amsterdam een staking plaats waarbij niet-joden protesteerden tegen het oppakken van 425 joodse mannen uit Amsterdam. Dit was een uniek protest, het werd hard neergeslagen door de Duitsers.

-          Nederlanders reageerden op verschillende manieren op de bezetting: de grootste groep probeerde er het beste van te maken door zich zo veel mogelijk aan te passen aan de situatie.

-          Een kleinere groep ging samenwerken met de Duitsers (collaboreren) zoals b.v. de leden van de NSB. Zij worden vaak gezien als landverraders.

-          Een andere kleine groep was daadwerkelijk actief in het verzet tegen de Duitsers.

-          Veel mensen dachten in die tijd sterk in termen van “goed en fout”, daar tussenin zat haast niets.

-          Ook de media werden in Nederland gedwongen om te schrijven of uit te zenden wat de Duitsers wilden. Censuur werd ook hier ingevoerd. Alleen de verzetskranten brachten nieuws zonder censuur, zij waren dan ook strafbaar. Via radio Oranje (vanuit Londen) kwam ook veel informatie binnen.

-          Het leven werd gekenmerkt door angst b.v. voor razzia’s (het oppakken van joden in een bepaalde straat, of mannen die in Duitsland moesten werken).

-          Mensen moesten ook altijd een persoonsbewijs bij zich hebben, als je dat niet had werd je opgepakt.

-          Velen die niet naar Duitsland wilden zochten een onderduikadres (joden, mannen)

-          Op een gegeven moment kwam er een tekort aan veel producten, er werd toen een distributiesysteem opgezet waarbij men producten alleen kon krijgen als men een bonkaart voor dat product had. Zo probeerde men de beperkte hoeveelheid toch zo eerlijk mogelijk te verdelen. Voor onderduikers was dit een groot probleem, want zij “bestonden” niet meer in de gemeentelijke administratie en hadden dus geen recht op bonnen.

-          Na D-day in 1944 werd het zuiden en een deel van het oosten van Nederland al bevrijd. Het westen was toen afgesloten van de rest en de Duitsers hadden ook tekort aan van alles, dus de bezette gebieden werden leeg gehaald. In het westen van Nederland stierven in de koude winter van 1944 naar 1945 heel veel mensen van honger en kou (hongerwinter)

-          Op 5 mei 1945 tekende Duitsland de capitulatie in Wageningen.

 

Belangrijke personen:

-          Anne Frank: zij is na de oorlog heel beroemd geworden doordat haar dagboek is teruggevonden en later uitgegeven. Anne, haar familie en een aantal andere mensen hebben ondergedoken gezeten in het Achterhuis in Amsterdam. Alleen de vader van Anne heeft de oorlog overleefd.

-          Koningin Wilhelmina: Zij is gevlucht naar Londen en heeft van daaruit geprobeerd om de Nederlanders te steunen o.a. door toespraken via radio Oranje.

 

Herdenkingen

-          Op 4 mei kennen we elk jaar de dodenherdenking, deze is ingesteld na WO II. We herdenken daar ook alleen die later omgekomen zijn in de strijd voor Nederland.

-          Op 5 mei vieren we de Dag van de Vrijheid waarbij herdacht wordt dat op die dag Duitsland capituleerde en Nederland weer vrij was.

 

V         Europa en de wereld  (1945 – 1989)

-          Na WO II zie je dat de Europese landen (Gr. Brittannië en Frankrijk) niet meer de belangrijkste rol spelen in de wereldpolitiek, maar de V.S. en de Sovjet Unie.

-          Veel Europese landen verloren ook een groot deel van hun macht door de dekolonisatie. Al voor WO II is de dekolonisatie op gang gekomen (ook in de koloniën ging het nationalisme een grote rol spelen). Na WO II zijn of worden heel veel koloniën zelfstandig.

-          De Sovjet Unie en de V.S. hebben ook een grote rol gespeeld bij het beëindigen van WO II.

 

Koude Oorlog

-          Na 1945 gaat de Koude Oorlog een grote rol spelen. Dit is een periode waarin weinig echt wordt gevochten (Koud), maar waarin wel veel kenmerken van een oorlog een rol spelen, zoals, wapenwedloop, spionage, wederzijds wantrouwen, enz.

-          Een groot deel van de wereld en zeker Europa wordt verdeeld in invloedsferen. Een flink aantal landen staat onder invloed van de V.S. en een ander deel van de landen staat onder invloed van de Sovjet Unie.

-          De twee invloedsferen worden in Europa gescheiden door het “IJzeren gordijn”. Churchill is de eerste die deze term gebruikt in een toespraak.

-          Steeds weer dreigde oorlog in deze periode b.v. in 1948 tijdens de blokkade van Berlijn. De Russen waren boos over het invoeren van een nieuwe munt door de andere bezetters van Duitsland. Bijna een jaar werd West Berlijn via een luchtbrug voorzien van alle nodige spullen, omdat men niet over land mocht.

-          Een ander voorbeeld van de angst in de Koude oorlog is het oprichten van de Navo (een defensief verbond van landen onder leiding van de V.S.) in 1949.

-          Als reactie op de Navo ontstond het Warschaupact (een militair verbond van landen o.l.v. de Sovjet Unie)

-          De twee invloedsferen kenden grote tegenstellingen: De V.S. en bondgenoten waren kapitalistisch en daar was de regering democratisch gekozen.

-          Binnen de invloedsfeer van de Sovjet Unie heerste het communisme met meestal een dictatuur als regeringsvorm.

-          Beide groepen beschikken uiteindelijk over kernwapens (S.U. van 1949), deze spelen een grote rol in de wapenwedloop.

-          Enkele andere belangrijke gebeurtenissen zijn:

-          De Bouw van de Muur om Oost- en West Berlijn te scheiden in 1961.

-          De Cuba crisis in 1962, waarbij de Sovjet Unie kernwapens op Cuba wilde plaatsen. De V.S. werd toen erg bang voor zijn veiligheid en dreigde met een oorlog.

-          Na de Cuba crisis komen er langzamerhand wat meer contacten tussen de V.S. en de Sovjet Unie.

-          In 1985 komt Gorbatsjov aan de macht in de Sovjet Unie, hij is voor meer openheid in de politiek (glasnost), hij zoekt ook contact met het westen en er beginnen onderhandelingen over het stoppen van de wapenwedloop.

-          Gorbatsjov probeert ook in het binnenland grote economische veranderingen door te voeren (perestroika), mensen worden weer meer zelf verantwoordelijk voor de productie.

-          In 1989 ontstaat er steeds meer onrust in het Oostblok, dit leidt uiteindelijk tot de val van de Berlijnse Muur. Dit moment wordt vaak gezien als het eind van de Koude Oorlog.

-          Na de val van de muur stort ook in andere Oost Europese landen de macht ineen, binnen de landen zie je grote veranderingen op politiek en economisch gebied.

 

Belangrijke Personen

-          Kennedy: president van de V.S. tijdens de Cuba crisis. Hij is later vermoord.

-          Stalin: Hij was de leider in de Sovjet Unie tot zijn dood in 1953. Hij had erg veel macht binnen zijn land en regeerde met harde hand.

-          Chroesjtsjov: Hij was de opvolger van Stalin in de Sovjet Unie, onder hem was de eerste kritiek op Stalin mogelijk. Hij was aan de macht tijdens de Cuba crisis.

-          Reagan: President van de V.S. in de jaren 70. Hij is weer erg bang van de Sovjet Unie. Hij komt met het idee van een ruimteschild boven de V.S.

-          Gorbatsjov: Leider van de Sovjet Unie. Hij zoekt contact met het westen en begint met de politiek van glasnost (openheid) en perestroika (hervorming van de Russische economie). Hij is de leider in 1989.

 

Vormen van internationale samenwerking:

-          Na WO II werden de Verenigde Naties opgericht. Bijna alle landen in de wereld zijn hiervan lid. Onder de vlag van de V.N. worden meer organisaties gevormd, zoals Unicef en de wereldbank.

-          De Veiligheidsraad wordt gevormd door vijf permanente leden ( Sovjet Unie, V.S., Frankrijk, Groot Brittannië en China) en tien leden die om de twee jaar door de Algemene Vergadering worden gekozen. De vijf permanente leden hebben het vetorecht. Alle leden van de VN hebben de plicht om besluiten van de Veiligheidsraad uit te voeren.

-          Binnen Europa gaan ook steeds meer landen samenwerken:

-          In 1951 richten de Benelux landen, Frankrijk, Italië en West Duitsland de EGKS (Europese gemeenschap voor Kolen en Staal) op.

-          In 1957 breiden ze de economische samenwerking uit in de EEG (Europese Economische Gemeenschap).

-          In 1967 wordt dit de EG (Europese Gemeenschap)

-          In 1993 wordt het de Europese Unie, deze bestond rond 2000 uit vijftien landen en is sindsdien nog verder uitgebreid.

 

Nederland van 1945 – 1989

 

-          Economische veranderingen:

-          Na WO II krijgt ons land ook Marshallhulp. Mede daardoor ontstaat er een economische groei en een welvaartsstijging in ons land.

-          De consumptiemaatschappij doet zijn intrede.

-          De verzorgingsstaat wordt na WO II opgebouwd door verschillende maatregelen te nemen.

-          Aan de enorme welvaartsstijging komt in de jaren 80 een eind met o.a. de oliecrisis. De prijzen van ruwe olie zijn sinds die tijd enorm gestegen.

-          In de jaren 80 ontstaat ook weer op vrij grote schaal werkloosheid, waarbij vooral mensen met een lage opleiding en gastarbeiders zwaar getroffen worden.

 

-          Sociaal- culturele veranderingen en toenemende pluriformiteit vanaf de jaren zestig.

-          Na WO II kijken veel mensen naar de Amerikanen. De invloed wordt steeds groter vooral vanaf de jaren zestig. We noemen dit amerikanisering.

-          In de tijd dat de economie op volle toeren draaide werden veel gastarbeiders naar Nederland gehaald om hier vooral het eenvoudige en vieze werk op te knappen. De meeste gastarbeiders kwamen uit de landen rond de Middellandse zee.

-          Verder kregen we na WO II te maken met verschillende groepen migranten afkomstig uit onze (voormalige) koloniën zoals de Ambonezen uit Indonesië, mensen die Indonesië verlaten na de onafhankelijkheid en later toen Europeanen niet meer welkom waren in Indonesië, mensen van de Antillen en uit Suriname.

-          In deze tijd ontstaat ook een eigen jongerencultuur met eigen kleding, muziek, enz.

-          De ontzuiling doet ook steeds meer zijn intrede.

-          Vrouwen (o.a. de Dolle Mina’s) komen op voor de rechten van vrouwen (Tweede feministische Golf)

-          Kritiek op de overheid en gezagsdragers wordt steeds duidelijker, we zien de eerste protestbewegingen o.a. bij de Maagdenhuisbezetting, Provo, enz.

 

-          Belangrijke personen:

-     Drees: Hij is lang ministerpresident. Hij is een socialist in hart en nieren. Drees zorgt              o.a. voor de AOW voor ouderen.

-          Koningin Juliana: Zij volgt na de oorlog haar moeder (Koningin Wilhelmina) op.

 

VI       Een nieuwe wereldorde (vanaf 1990)

 

-          Internationale veranderingen:

-     In 1989 valt de Muur, dit is het einde van de Koude Oorlog.

-          In Oost Europa ontstaat in veel landen grote onrust. De communisten verliezen hier in veel landen hun macht.

-          De Sovjet Unie valt uiteen in veel verschillende zelfstandige staten. Zo ontstaan ook veel nieuwe staten zoals Estland. Letland, Litouwen, Rusland, Oekraïne, enz.

-          Na de val van de Muur ontstaat er in korte tijd een Duitsland. Er zijn wel tot op de dag van vandaag problemen binnen Duitsland, want het rijke westen verschilt enorm met het veel armere en minder ontwikkelde oosten. Nog steeds is b.v. de werkloosheid in de vroegere Oost-Duitse staten groter dan in het westen.

-          Binnen Europa zien we steeds meer nationalisme opkomen. Dit is te zien aan bepaalde partijen o.a. in Oostenrijk, België en Nederland, maar ook in de problemen die ontstaan in b.v. voormalig Joegoslavië (Kosovo is pas heel recent zelfstandig geworden).

-          De macht van de Sovjet Unie is voorbij. Rusland kan dit na de val van de muur als grootste staat van de oude Sovjet Unie niet overnemen.

-          De V.S. zijn nu de enige supermacht, zij gedragen zich ook als de politieagenten van de wereld. Dit wordt lang niet door iedereen geaccepteerd.

-          De Navo is opgericht in de Koude Oorlog. De belangrijkste rol was lang een front vormen tegenover het Warschaupact en het communistische gevaar dat in de wereld dreigde. Nu wordt de rol (zeker na 11 sept 2001) veel meer het organiseren van de terrorismebestrijding. Navo troepen worden ook ingezet in verschillende gebieden waar problemen dreigen (o.a. bombardementen op Servië een aantal jaren geleden).

-          De Navo is in de laatste jaren ook uitgebreid met een aantal nieuwe lidstaten. Veel van deze staten hebben voor 1989 bij het Warschaupact gehoord en liggen in Oost Europa.

-          Terrorisme gaat een steeds grotere rol spelen zeker na de aanvallen op het World Trade Centre in New York en het Pentagon in Washington op 11 sept 2001. Vooral extreme moslims worden verdacht van dit soort aanslagen. Er dreigt in de wereld steeds meer haat te ontstaan tegen moslims en moslimlanden.

 

Europa

-          Binnen Europa ondergaat de EU ook grote veranderingen. Het aantal lidstaten neemt toe en dat zorgt ervoor dat regels aangepast moeten worden om nog een werkbare situatie te houden.

-          Enkele belangrijke organen van de EU zijn:

-          Het Europees parlement. Burgers uit de verschillende lidstaten kiezen vertegenwoordigers namens hun land afhankelijk van het aantal inwoners van een land. Door de uitbreiding van de EU wordt dit parlement ook steeds groter. Men wil het parlement ook steeds meer rechten geven.

-          Europese Commissie. Dit kun je vergelijken met een regering. Binnen de Europese Commissie zijn er commissarissen voor verschillende onderwerpen b.v. milieu, mededinging, financiën, enz.

-          Raad van Ministers. Deze wisselt steeds van samenstelling. Als het om financiën gaat zitten hier de ministers van financiën van alle lidstaten, gaat het om landbouw dan zitten er de ministers van landbouw.

-          Een van de zaken waar de EU zich de laatste jaren druk voor gemaakt heeft is de invoering van de Euro (2001). Niet alle lidstaten hebben trouwens gekozen om mee te doen aan de Euro.

-          Besluiten van de EU kunnen nu alleen uitgevoerd worden als de parlementen van alle lidstaten het met de beslissing eens zijn. Hoe meer leden hoe moeilijker het wordt om iets te regelen.

-          De verschillende lidstaten zijn het ook niet altijd eens over zaken waar de EU zich wel en niet mee moet bemoeien.

-          Een van de problemen is de invoering van een Europese Grondwet. In Frankrijk en Nederland is hierover een referendum gehouden en de bevolking heeft nee gezegd. In andere landen is men wel voor een grondwet. Hierover is men nog steeds aan het praten.

 

De Wereld

-          Door alle nieuwe uitvindingen en ontwikkelingen worden de verschillende landen in de wereld steeds meer met elkaar verbonden. Een gebeurtenis in een land of gebied kan grote gevolgen hebben voor gebieden in de rest van de wereld.

-          Zo wordt de politieke, sociale en economische verbondenheid van landen in de wereld steeds groter.

-          Ook technische ontwikkelingen als computer, e-mail en internet spelen hierbij een grote rol. Dit heeft invloed op het dagelijks leven van veel mensen in de hele wereld.

 

Nederland vanaf 1990.

-          In de jaren negentig trekt de economie weer wat aan. Het gaat beter in Nederland.

-          Het “poldermodel” is een vorm van overleg binnen de economie, dit is specifiek voor Nederland. Door het poldermodel probeert men te voorkomen dat werkgevers en werknemers en overheid te sterk tegenover elkaar komen te staan.

-          De verzorgingsstaat komt ter discussie. Er komen steeds meer mensen die recht hebben op een uitkering en door werknemers en werkgevers wordt ook regelmatig oneigenlijk gebruik gemaakt van de sociale voorzieningen. Het stelsel dreigt daarom veel te duur te worden.

-          Veel mensen worden ook ongerust over de eigen identiteit (de multiculturele samenleving speelt hierin een grote rol) Mensen als Pim Fortuin en later Wilders spelen hier op in.

-          De invloed van de media wordt steeds groter. Naast de publieke zenders gaat ook commerciële televisie een grote rol spelen. Het aantal zenders neemt enorm toe, maar daardoor ook het “gevecht”om het nieuws. Sommige zaken worden daardoor erg opgeklopt.

-          Ook de Nederlandse rechtsstaat staat ter discussie.

-          Binnen Nederland vinden we steeds meer verschillende godsdiensten (religieuze pluriformiteit)

-          Binnen de multiculturele samenleving proberen verschillende groepen vast te houden aan eigen zeden en gewoonten. Dit wordt niet zo makkelijk meer geaccepteerd.

-          Steeds meer mensen keren zich af van de traditionele kerken (secularisatie)

-          De individualisering binnen de maatschappij wordt steeds sterker.

 

Belangrijke personen:

-          Koningin Beatrix: Zij volgt haar moeder koningin Juliana op.

 

 

 

Extra stof voor Gemengd en Theoretisch

 

A:  De opkomst en de gevolgen van het communisme in de Sovjetunie.

 

-          Dit is een voorbeeld van een extreem linkse dictatuur.

-          We bekijken de periode van de Russische Revolutie tot de Duitse inval in de Sovjet Unie (1917 – 1941)

-          1917 Russische Revolutie (februari: tsaar afgezet en de Voorlopige regering aan de macht. Oktober: Lenin is met hulp van de Duitsers naar Rusland gebracht en neemt met de communistische partij de macht)

-          Communisten komen op voor de arbeiders (socialisten). Zij denken hun doel te bereiken via een revolutie.

-          In de USSR (Unie van Socialistische Sovjet Republieken) is de communistische partij de enige toegestane partij.

-          Stalin voert planeconomie in: d.w.z. dat de staat bepaalt wie, wat, waar en hoeveel er geproduceerd gaat worden.

-          Kenmerken uit de tijd van Stalin (1928 – 1953)

-          Vervolging van tegenstanders. (veel kampen in Siberië)

-          Een grote invloed van de geheime politie.

-          Terreur (je wist niet wie wanneer opgepakt werd)

-          Totalitair regime (je probeert als regering de burgers volledig in je macht te krijgen, ook geestelijk)

-          Indoctrinatie en censuur spelen een grote rol o.a. in de media.

-          Tegenstanders krijgen vaak showprocessen (de uitslag staat al vast, mensen worden vaak ook gedwongen tot bekentenissen)

-          Voor tegenstanders zijn er veel strafkampen.

-          Door zuiveringen probeer je mensen die mogelijk tegenstanders zijn of worden uit de maatschappij te halen. (b.v. alle boeren met nog wat eigen grond verbannen)

-          Stalin maakte ook veel gebruik van propaganda (reclame maken voor jezelf) en hij streefde naar persoonlijkheidsverering.

 

Belangrijke Personen:

-          Lenin: hij komt in 1917 aan de macht, maar sterft al in 1924. Hij kan zijn werk niet afmaken.

-          Stalin: Na een machtsstrijd komt hij in 1928 aan de macht. Tot zijn dood in 1953 weet hij een enorm stempel op de Sovjetunie te drukken.

 

B:        Van de Japanse bezetting tot de onafhankelijkheid van Indonesië (1942 – 1949)

            (zie ook par. 2.5 en 2.6 van Thema 2) (Nationalisme in Indonesië)

 

-          Na de aanval op Pearl Harbor wordt Indonesië ook aangevallen door de Japanners. In Indonesië zijn o.a. delfstoffen te vinden die Japan nodig had.

-          Voor WO II waren de nationalisten in Indonesië heel actief (o.a. Soekarno en Hatta). Zij hadden al vaak vast gezeten vanwege hun activiteiten. Veel nationalisten zagen de Japanners als bevrijders. Een Aziatische volk dat een ander volk te hulp kwam.

-          Tijdens de bezetting bleek al snel dat Japan helemaal niet van plan was om de Indonesiërs zelfstandig te laten functioneren. De Japanners gedroegen zich als een nieuwe bezetter.

-          Nederlanders werden tijdens de bezetting opgesloten in kampen.

-          Na de overgave van Japan werd op 17 augustus 1945 de onafhankelijkheid van Indonesië uitgeroepen. Op dat moment waren alleen nog Japanse troepen in het land.

-          Nederland probeerde haar gezag in Indonesië te herstellen tijdens twee Politionele acties. Dit was militair eerst wel een succes, maar de bevolking was toe aan zelfstandigheid en Nederland kreeg ook veel kritiek vanuit het buitenland, o.a. van de V.S. Koloniën waren uit de tijd. Velle Nederlandse militairen (dienstplicht) hadden moeite met deze acties, omdat zij net zelf uit een bezet land kwamen en nu waren zij zelf de bezetters

-          Nederland streefde uiteindelijk naar een soort Verenigde Staten van Indonesië die verbonden was via een unie met Nederland.

-          De nationalisten willen een Republiek Indonesië als onafhankelijke staat.

-          O.a. in Linggadjati is hierover onderhandeld.

-          Tussen 1945 en 1949 krijgen we dan veel problemen (o.a. de politionele acties) en onderhandelingen. Dit zorgt er voor dat in Indonesië de roep om zelfstandigheid steeds groter wordt. De vrijheidsstrijd barst in volle hevigheid los.

-          De VN en de VS dringen aan op onafhankelijkheid.

-          Tijdens een rondetafelconferentie wordt op 27 dec. 1949 de soevereiniteit (zelfstandigheid) van Indonesië getekend in Den Haag.

 

Belangrijke Personen:

-          Soekarno: Hij komt uit Indonesië, studeert in Nederland, maar wordt al snel een van de felste onafhankelijkheidsstrijders. Na de onafhankelijkheid speelt hij een grote rol in de politiek o.a. als president.

 

C:        Brandhaard het Midden Oosten (ontstaan van Israel / problemen van Palestijnen) (zie ook par. 5.2 van het Historisch overzicht)

 

-          In Palestina zijn al lang problemen: De joden zien het gebied als hun heilige grond, maar zij zijn voor een groot deel weggevoerd in ballingschap. Daarna hebben Palestijnen eeuwenlang in dit gebied gewoond als Arabisch volk. Zij vinden ook dat ze recht hebben op Palestina.

-          Aan het eind van de 19e eeuw komt het nationalisme in de wereld sterk op. Joden worden in veel landen gezien als vreemde groep. Zij worden vaak anders behandeld, maar dat is de hele geschiedenis al zo geweest (denk aan Romeinen, Middeleeuwen, enz.)

-          Een groep joden wil dan weer een eigen staat gaan oprichten in Palestina. Het streven naar deze staat noemen we zionisme.

-          Joden zijn verspreid geraakt over heel veel landen in de wereld. We noemen dit diaspora.

-          Het streven naar een eigen staat wordt vlak voor en na WO II enorm versterkt door de politiek van Hitler en de gebeurtenissen tijden WO II.

-          Ook de Arabische volken willen graag een eigen staat (veel van deze volken hebben tot aan WO I onder de overheersing van de Turken geleefd en zijn blij dat ze een eigen staat kunnen gaan opbouwen).

-          Tijdens WO I belooft Groot Brittannië dit gebied aan drie groepen (Arabieren, joden en Fransen). Na WO II zijn de problemen zo groot dat Gr. Brittannië zich terugtrekt in 1948. De VN (net opgericht) krijgt als eerste de taak om hier orde en rust te herstellen. Dat is tot op de dag van vandaag niet gelukt.

-          Het eerste voorstel van de VN is het oprichten van twee staten waarbij de meerderheid van de bevolking bepaalt bij welke staat een gebied hoort. Je krijgt dan twee hele rare gebieden.

-          De joden roepen in 1948 de staat Israel uit terwijl de VN nog aan het onderhandelen is.

-          Deze kleine staat Israel wordt lang niet erkent door zijn buurlanden en ze verkeren lang in staat van oorlog met elkaar. Een aantal malen komt het tot hevige gevechten zoals in 1967 (Zesdaagse oorlog) en in 1973 (Yom Kippoer oorlog). Tegen alle verwachtingen in wint Israel vaak in deze strijd, hoewel het een sterke overmacht tegenover zich heeft.

-          Na 1973 wordt ook in Israel steeds meer aangedrongen op een definitieve regeling met de buurlanden.

-          Palestijnen zijn na 1948 in kampen terecht gekomen. Hun problemen krijgen lange tijd weinig of geen aandacht. De PLO gaat onder leiding van Yasser Arafat aandacht vragen voor deze vergeten groep. In eerste instantie doen ze dit door terroristische aanslagen. Later volgen Arafat en de PLO een veel meer gematigde weg. Zij willen met Israel overleggen over een nieuwe vrede.

-          De V.S. hebben tot nu toe meestal hun steun gegeven aan Israel (in de VS wonen ook erg veel joden). Wel zijn de VS ook voor onderhandelen en komt er steeds meer kritiek op Israel.

-          De V.S. bemoeien zich ook regelmatig actief met het weer op gang brengen van vredesonderhandelingen. Een goed voorbeeld hiervan is het vredesakkoord dat uiteindelijk getekend wordt op het buitenverblijf van de Amerikaanse president, Camp David.

-          In dit hele proces (in het Midden Oosten) spelen economische belangen ook een grote rol. Veel joden investeren in Israel en weten daar een bloeiende economie op te bouwen. Binnen de Arabische landen is er een groot verschil tussen landen waar wel olie wordt gevonden en landen die geen olie hebben.

-          Israel bezet nog steeds gebieden die oorspronkelijk bij de Palestijnse staat hoorden. Over deze bezetting, het bouwen van nederzettingen in deze gebieden, het bouwen van een muur tussen de bezette gebieden en Israel zijn veel problemen.

 

Belangrijke Personen:

Ben Goerion: Hij roept in 1948 de staat Israel uit en is de eerste premier van Israel. Direct na het uitroepen van de nieuwe staat werd deze aangevallen.

Anwar Sadat: Hij was de eerste Arabische leider die het Israëlische parlement toesprak. Hij kwam uit Egypte. Na onderhandelingen in Camp David sloot Egypte als eerste vrede met Israel.

Menachem Begin: Hij was de premier van Israel die aan Sadat de mogelijheid gaf om in het parlement te komen praten. Samen met Sadat tekende hij voor de vrede in Camp David.

Jimmy Carter: Hij was de president van de V.S. die er voor zorgde dat Israel en Egypte met elkaar om de tafel bleven zitten tot er een vredesakkoord was (Camp David)

Yasser Arafat: Hij was leider van de PLO. (van 1948 tot 2004). In eerste instantie is hij degene die opdracht geeft tot terreuraanslagen. Later probeert hij vooral aandacht te krijgen voor de Palestijnen via politieke weg n.l. door onderhandelen en toespraken houden ( o.a. in de VN) In 1994 kreeg hij samen met de Israëlische leiders Peres en Rabin de Nobelprijs voor de vrede.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

'